Vissers

Dinsdag 18 juli [Vervolg]. Ik peddel een stukje weg, kijk achterom en Dragan en ik zwaaien nog voor de laatste keer naar elkaar. Dan gaat het maar weer verder en verder stroomafwaarts over de Donau.

In Ram stop ik voor een kopje koffie. In het café ontmoet ik een leuk jong stel uit Polen. Zij lopen in het oostelijk deel van Servië vanuit Boedapest in een week. Meer tijd en vakantie hebben ze niet. Ze hebben al wel heel veel gezien en meegemaakt en zijn enthousiast over mijn reis. Uiteenlopende gespreken met een leuk in geïnteresseerd stel jonge mensen. Van zulke mensen krijg ik weer hoop op een goede wereld. Een toekomst. We maken wat foto’s en ik stuur ze hun toe. Zo hebben ze, mochten ze verder geïnteresseerd zijn, mijn gegevens en blogadres. Een vluchtige maar hele leuke ontmoeting weer. Ik vaar weg, we zwaaien en vervolgen ieder onze weg.

In Veliko Gradiste stop ik om te eten. Het is niet zo heel vroeg meer. Het eten is eenvoudig maar goed. Weer veilig weg, tussen alle zwemmers door, de Donau op. Het is heet en ik bescherm mezelf met een natte Shemagh.

Vanaf Ram is de linkeroever Roemeens. Daar mag ik niet naartoe want je kunt maar in één land tegelijk zijn en je hebt een officiële grensovergang nodig om te kunnen wisselen van het land. Ik speel op zeker in blijf goed aan de Servische kant. Vandaag gok ik op de, in de DKV Donauführer aangegeven, kampeermogelijkheid bij 1049 km. Dit blijkt nog aardig te kloppen en ik zie een mooie plek om de kano op het land te trekken en een grasland je er achter. Mooier kan bijna niet. Nog maar net heb ik mijn tent opgezet en haal nog wat spullen uit mijn boot. Ik draaide me om en ik schrik me rot. Er staat een man achter me. Weliswaar goedgezind maar toch schrik je. Hij begint, in vloeiend Servisch, uit te leggen dat ik met hem mee moet gaan. Ik leg uit dat ik dan eerst mijn spullen in mijn tent moet opbergen en dat ik dan wel even met hem kan meelopen. Zo gebeurt het en wanneer ik mijn spullen heb opgeborgen en mijn waardevolle spullen in mijn tas bij me heb ga ik met hem mee. Het was toen rond zeven uur. Pas om half twaalf was ik  weer bij mijn tent terug. De avond verliep weer verrassend. De man, Niko, blijkt met zijn broer Dean een visserskamp te hebben, zo’n 25 meter bij mij vandaan. Ik moest aan tafel gaan zitten en kregen een doos vol vis, Babouška voor m’n neus, een even grote doos met een soort van mix met worst, uien en tomaten, en een schaal tomaten-komkommer mix. Veel te veel voor mij allemaal. En er kwam natuurlijk ook nog Rakija en Slivovitsj op tafel samen met een beker water en een enorm stuk brood. Ik voelde mezelf kleiner worden achter zo’n enorme maaltijd. Maar ik heb, heel beleefd, mijn best gedaan om zoveel mogelijk naar binnen te werken. Daarna uitgelegd dat ik echt niet meer aankon. Gezellig en veel met elkaar gepraat. Niko is wiskundeleraar en gaat in september met pensioen. Dean was beroepsmilitair, is jonger dan Niko, maar is al een tijdje met pensioen. Dat gaat zo bij militairen. Dean heeft zelfs nog, in een naburig dorp, koel bier gehaald, een fles van 2 liter meteen maar. Toen het bier op was moest ik de rest van de Rakija maar meenemen voor onderweg. Zoals gezegd, om half twaalf, gingen we naar bed. Vissers staan, net zoals kanoërs, vroeg op. Maar ik moest eerst mijn tent nog inrichten en m’n luchtmatras nog opblazen voor ik kon gaan liggen. Toen eenmaal alles in orde was sliep ik ook.

Woensdag 19 juli. Om vijf over zes pas wakker. Ik schrok ervan. “Hoe komt dit?” Het was nogal een hoge luchtvochtigheid waardoor een soort mist het licht absorbeerde. Daardoor leek het wat langer donker te blijven. Ook bleek mijn Roemeense provider de tijd een uur later in te stellen. Die automatische functie heb ik meteen maar uitgeschakeld. Geen nood, ik weet nu zeker dat het elke dag later licht wordt. Toen ik mijn spullen opgeruimd en ingepakt had ben ik nog even naar hun kamp gelopen. Niko was al wakker en zat bij zijn hengels. Dean lag nog lekker in z’n  tentje te slapen. Niko en ik maken dus maar wat foto’s en ik vaar weg. Toen ik langs hun visserskamp voer zag ik dat Dean inmiddels ook op was. Hij was enthousiast me nog even te kunnen groeten. We schudden handen en zwaaien uitbundig naar elkaar. Weer vaar ik weg bij mensen die zo aardig zijn dat ik er best een aantal weken mee op zou willen trekken. Maar ik ga door, verder want ik heb een doelstelling.

De wind, waarvoor de DKV Donauführer waarschuwt, komt ook precies vroeg in de morgen, opzetten. De Košava, zo wordt deze wind uit Zuidoostelijke richting genoemd. Eerst verschuil ik me tussen het riet, een prima golfbreker maar niet erg comfortabel want ik zit er maar bij zoals ik de hele dag al zit en kan verder niets beginnen. Daarom vaar ik. wanneer ik het idee heb dat het wat minder waait, weer weg richting Golubac. Daar is een schuilhaventje en kan ik dus de kant op voor een bak koffie en een ontbijt. Een lekker stuk Börek en een pizzapunt. Bij wijze van brunch dan maar. Daarna doe ik weer een stukje, naar de burcht van Golubac, aan het begin van de engte tussen Golubac en Kemenica. Dit traject is 15 km lang en mond weer uit in een stuwmeer bij Ljubcova. Nadat ik de oude burcht heb bezocht en een biertje heb genuttigd vaar ik de engte in. Is best spannend wanneer je geen idee hebt hoe het daar is gesteld met de stroming en de wind. Eenmaal gestart kun je niet meer terug en moet je doorzetten.  We gaan het wel zien en voor de zekerheid neem ik nog maar een biertje. Moed indrinken. En dat bleek tegen te vallen. De stroming was minimaal en niet opgewassen tegen de extreem harde wind, recht op kop. Het is een behoorlijke strijd geweest, op karakter, om in de Dobra te kunnen komen. Eenmaal daar aangekomen was een plekje voor de nacht snel gevonden maar ik heb mijn tent nog niet opgezet. Eerst op zoek naar een stevige maaltijd lijkt me verstandig en, omdat ik kennelijk altijd geluk heb, vind ik al snel een bord met een aantal symbolen waar uit moet blijken dat er gegeten kan worden. Ik zie er drie vrouwen, geen van allen meer erg jong, buiten aan het werk. Hout kloven, hakken en opstapelen. De zichtbaar oudste die aan het stapelen was vroeg ik of ik hier kon eten. Ja hoor, hier kun je eten. Wanneer, nu? Ja, graag zei ik en ze bracht me naar een mooie tuin met een prachtig afdak waaronder gedekte tafel’s en stoelen met dikke comfortabele kussen stonden. Ik mocht plaatsnemen en de vrouw ging aan de slag. Ze bracht een aantal gebruikelijke zaken eerst waaronder, brood, bier en bestek. Daarna bracht ze een heel grote kom vermicellisoep, lekker. Toen ik die net verorberd had bracht ze een heerlijke wijngoulash met aardappelpuree, een verrukkelijke tomaten salade met kaasstrooisel erop en twee geroosterde groene peperoni. Eet smakelijk! En dat heb ik gedaan, wat was dit lekker. Toen de vrouw langs kwam heb ik haar een compliment gegeven voor kookkunst. Ze begonnen te glimmen en zei dat ze al meer dan 10 jaren “Küchenmeister” was in deze keuken. Achteraan het gebouw hoorde ik iemand heel hard snurken. Het bleek haar varken te zijn die moest werpen (bevallen) en ze zou het varken wel even toespreken. Ik hoorde allerlei lieve woordjes en klanken uiteindelijk uit het gebouw komen en het werd weer stil. Een tijdje erna begon het gesnurk weer en het ritueel herhaalde zich een aantal malen. Toen ik klaar was met eten ruimde ze af, ik bestelde nog een bier en vroeg om de rekening. Ik kon mijn ogen niet geloven en heb maar naar 1000 Dinar afgerond. Voor een complete maaltijd en twee bier 700 dinar komt neer op ongeveer € 7,75 en dat is werkelijk belachelijk laag. Ze zegt me toch vooral geen haast te maken en nog maar te genieten van de gratis Wi-Fi. Dan komt ze opeens aangelopen met een jongen stevige politieagent. Ik schrik hier toch wel een beetje van maar ze stelt hem trots voor als haar zoon. Hij geeft onmiddellijk aan dat zijn moeder hier de “Küchenmeister” is. Een hartelijke vent ook, net zo hartelijk als zijn moeder. Hij verkleed zich snel en gaat de rest van de vrouwen helpen met houthakken. Wanneer ik mijn bier op heb en alles via Wi-Fi heb gedaan wat ik wilde, loop ik naar de houthaklocatie, bedank de vrouw dat ik van haar kookkunst heb mogen genieten en neem afscheid.

Het is maar een klein stukje lopen naar mijn kano, via een brug over de rivier “Dobrauska Reka”, want mijn kano ligt nu aan deze rivier. Hier zet ik ook mijn binnenkantje op en richt het minimaal in. Veel heb ik niet nodig en morgenochtend neem ik wel een paar handjes noten. Eer ik horizontaal ben slaap ik, kapot moe.

Donderdag 20 juli. Vanmorgen was mijn systeem kennelijk in de war en heb ik me verslapen. Het zal even wennen zijn maar ik bevind me nu in de zuidelijke Karpaten en daar heeft de zon een uurtje langer werken om boven de heuvels uit te komen. Geen ramp natuurlijk, ik heb alle tijd maar, ik had vroeg willen opstaan om nog even te kunnen genieten van een periode met wat minder wind. Nu ging ik zo rond half zeven het water pas op en zit ik om half negen in een volkstuintje te wachten tot de wind afneemt. De man van het volkstuintje vind het goed en hij zegt dat de wind nog wel een aantal uren zal aanhouden. Dus zit ik hier aan de oever maar een beetje te schrijven en te lummelen. Aan de overkant ligt Roemenië, een prachtig beeld om naar te kijken. Wanneer ik denk dat de wind minder is ga ik het water weer op. De wind is minder maar het blijft vechten. Zoveel mogelijk zoek ik de meest gunstige positie op het water zodat ik zo min mogelijk energie nodig heb. Maar zoals ik al zei het blijft vechten waardoor zo’n beetje elke spier die ik gebruik pijnlijk wordt. Mijn knieën, waarop ik zit, werken hard mee om de krachten op de boot over te brengen om deze te overreden in beweging te komen en te blijven. Met de minuut gaan ze meer protesteren tegen deze ongeoorloofde mishandeling. Vooral de rechter knie heeft het kennelijk zwaar.

Toen ik dan ook, op een plaats met veel waterplanten, werd aangeroepen en een mooie gelegenheid zag aan land te gaan, heb ik meteen gereageerd en ben gestopt. Het bleken de professionele vissers, Loli en Dragan. Daarna kwam ook nog een jongere, Dean. Hier word ik weer verwend met koffie, water en Rakija  (Slivovitsj). De hele middag gaat voorbij en ik ben uitgenodigd om vannacht hier te blijven. De vader van Dragan werkt nabij Lepenski Vir, een museum met mesolithische opgravingen wat ik beslist wil bezoeken, en die nodigt op de camping daar kennelijk nogal veel vrienden uit. Loli belooft me daar een onrustiger nacht dan hier. Dat is, vind ik, een goed argument en ik blijf beter hier.

We praten weer over de meest uiteenlopende onderwerpen en terwijl werkt Loli gewoon door aan zijn lijnen met 26 haken, “Struk” genaamd. Ook laat hij mij zijn “Bučkač” zien. In Hongarije noemt men dit gereedschap “Horgászcikk” en wordt gebruikt om Catfish zenuwachtig te maken zodat ze overal in bijten, volgens Loli. De Servische “Bučka” is altijd uit een stuk hout gesneden. De Hongaarse bestaat meestal uit meerdere samengelijmde onderdelen en soms ook verschillende houtsoorten. De eigenlijke plonk kan hol of bol zijn. Ik leer hier nog veel over de manier van leven en het vissen. Misschien handig voor later wanneer ik zelf moet gaan vissen om aan eten te komen.

Loli’s Wiskas kat

Inmiddels hebben we vanavond “Sardinas” gegeten en Dragan is zoals gebruikelijk veel te laat.
Fossiele mossel in steen

Omdat de tabak van Loli opraakt voel ik wat spanning. Wanneer Dragan terugkomt en zijn verhalen verteld maar gelukkig ook de sigaretten bij zich heeft wordt de sfeer milder. Er wordt een heftige termen gesproken omdat Dragan door een stelletje viscontroleurs is afgezet. Hij moest haken, lijnen en vis afstaan aan deze corrupte bende. Loli zegt dat ik me, bij deze luidruchtige uiteenzetting, geen zorgen behoef te maken, Dragan vertelt alleen wat geëmotioneerd. Ik zeg dat ik me na zovele Donaukilometers in Servië geen zorgen meer maak om zulke heftige redevoeringen. Dit ben ik ook al tegen gekomen in Slowakije en Hongarije. Hij lacht en knikt begrijpend.

De mannen maken zich, al is het veel later dan gepland, op om het water op te gaan. Ze gaan voornamelijk de geprepareerde lijnen uitzetten. Ik blijf alleen in het kamp achter en maak mijn slaapplek in de oude caravan in orde zodat ik naar bed kan wanneer ik wil. Geen idee wanneer de beide vissers terugkomen. Ik wacht het maar af. Ik sliep al, op de bank aan tafel, toen de beide vissers terugkwamen. Dragan ging meteen naar huis en Loli probeerde of ik nog meer wilde eten. Hij zou sowieso eten. Ik heb de bonen soep wel geproefd en het was heel lekker maar ik kon echt niet nog meer op. Ik krijg nog een biertje en dat gaat er natuurlijk altijd in. Daarna naar bed en direct in diepe slaap in de oude, versleten caravan.

Vrijdag 21 juli. De muizen liepen vannacht nog net niet over mij heen. Voor de rest waren ze echt overal. Toch heb ik goed geslapen al was het warm in zo’n ongeventileerde ruimte. Zeker wanneer je al een aantal maanden buiten leeft is het binnen slapen een hele opgave en vaak veel te warm. Zelfs de muizen hielden me niet wakker al deden ze wel heel hard hun best. Ik maak mijn ontbijt op het kooktoestel van Loli en heb sinds enige dagen weer en warm ontbijt waar ik toch langer mee toe kan dan met alleen noten en cranberry’s. Als snel namen we afscheid want ik wil verder voordat de wind opsteekt. Niet ver, een kilometer of vier, naar Lepenski Vir, een mesolithische opgraving, die de oudste is van heel Europa. Van afstand lijkt het gebouw net een grote larve die over de berg kruipt. Al voor negen uur ben ik er en moet tot die tijd wachten. Het begint met de originele film uit de tijd van de opgravingen (1968) en is heel onderhoudend. Na de film komt een verzameling van opgegraven beelden en gebruiksvoorwerpen. Heel mooi om te zien hoe ver de mens zich, meer dan 10.000 jaar geleden, al had ontwikkeld. ​

​Vervolgens naar buiten voor een reële voorstelling van een onderkomen zoals die in die tijd werden gebruikt. Indrukwekkend hoe men zoveel activiteiten in zo’n kleine ruimte kon ontplooien. De hutten zijn overigens veel hoger dan ik zou hebben kunnen vermoeden.

In een uurtje ben ik toch wel door het museum heen. Ik loop terug naar mijn kano en tref daar Miriam,  een van de gasten die ook bij de vader van Dragan kampeert, met haar zoon die ook al behoorlijk Engels spreekt. Mirjam is van Marokkaans/Servische afkomst maar in Nederland, Ochten geboren en een heel klein beetje getogen. Heel apart maar, omdat ze met vier jaar weer naar Servië zijn verhuisd, spreekt ze geen Nederlands. Engels gaat prima en dat weet ze ook haar zoontje. We hebben een leuk gesprek is en zenschenkt me een domestic koffie (Turks). We hebben lol terwijl haar man met zijn vriend, in de boot van Dragon’s vader aan het vissen is. Ik besluit wanneer ik wegvaar nog even bij ze langs te varen om ze een goede vangst te wensen. Het is de laatste dag van hun vakantie en ze proberen er dus nog zoveel mogelijk van te genieten. Ik vaar voorbij en zeg ze gedag. Even daarna zoek ik de 1000 kilometerpaal maar, omdat deze zich aan de Roemeense zijde bevindt is het moeilijk zoeken op grote afstand. Kennelijk ben ik er voorbij en dat vind ik jammer. Om toch te laten zien dat ik nu in de drie cijfers vaar heb ik de 998, die ik wel kon vinden, maar gefotografeerd. Verder naar Donji Milanovac waar ik eerst ga eten. Daar bedenk ik of ik er in een hostel ga of dat ik verder vaar naar een plekje voor mezelf. Een hostel betekent dat ik mijn bootje een hele nacht niet in het zicht heb en dat vind ik nog altijd een bezwaar. Eenmaal op weg word ik nog uitgenodigd voor een beetje door twee broers, Ime en Schasa Moca, een vrolijk stel mensen waar ik bier en wijn (Hamburg) mee drink. Tegen de tijd dat het gaat schemeren neem ik afscheid en varen naar de door hem geadviseerd de overnachting’s plaats. Daar maak ik snel mijn kamp in orde en val in een diepe slaap.

2 comments

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s